Posterwoorden

Posterwoorden

Heldring VMBO - Woordenschatproject (WSP): Posterwoorden

week: 10 t/m 21 april 2017

 

Klas 1

POSTER 19 

 

 

  1. aanvankelijk = in het begin

     

  2. de cultuur = de manier van leven

     

  3. indien = als

     

  4. het inkomen = het geld dat iemand krijgt voor zijn of haar werk

     

  5. het restant = dat wat overblijft

     

  6. zich permitteren = zich veroorloven

     

  7. garanderen = ervoor instaan dat iets goed is

   

  8. het uittreksel = de korte samenvatting

     

  9. het alternatief = de andere mogelijkheid

     

 10. e.d. = en dergelijke

     

     

Klas 2

POSTER 10   

  1. vermelden = noemen of opschrijven

     

  2. afnemen = minder worden

     

  3. aanzienlijk = groot en veel

     

  4. de afwijking = iets wat niet klopt

     

  5. de hinder = de last

    

  6. ten koste gaan van = slecht zijn voor

     

  7. elders = ergens anders

     

  8. diverse = verschillende

     

  9. veronderstellen = denken dat het zo is

     

 10. o.m. = onder meer (er is meer dan er genoemd wordt)

  

Klas 3 (e&o)

POSTER 8

  1. de reserve = iets dat niet direct nodig is, maar dat je bewaart om later te kunnen gebruiken

     

  2. resteren = overblijven

      

  3. retour = terug naar de plaats waar het vandaan komt

    

  4. het salaris = het loon

     

  5. schadeloos stellen = een vergoeding geven voor het nadeel dat iemand geleden heeft

     

  6. schikken = een oplossing vinden doordat iedereen een beetje toegeeft

     

  7. de schuld = het geld dat je nog moet betalen; de verantwoordelijkheid voor een fout

     

  8. de splitsing = de plaats, waar een weg of rivier uiteen gaat

      

  9. stimuleren = zorgen dat iemand iets leuk gaat vinden

     

10. storten = geld overmaken

     

 

Klas 3 (z&w)

POSTER 8

 

  1. vanwaar = waarom, om welke reden

     

  2. vermijden = zorgen dat iets niet gebeurt

     

  3. het vermogen = iets dat iemand of iets kan

     

  4. verschrompelen = klein en droog worden

     

  5. zich vertakken = zich splitsen

     

  6. verteren = je lichaam haalt de nuttige stoffen uit je eten, de rest verandert in ontlasting

      

  7. het vlies = heel dun vel

     

  8. voordien = vroeger, eerder

     

  9. vrijkomen = beschikbaar komen, los komen

     

10. waarnemen = horen, zien, ruiken of voelen

     

     

Top